Zoeken
  • Mark Verelst

Met meditatie crescendo of net niet?


In traditionele maatschappijen werd tijd voornamelijk ervaren als cyclisch. Elke dag komt de zon op en gaat ze opnieuw onder. De maan kent haar eigen cyclus en elk jaar komen en gaan de seizoenen min of meer op dezelfde wijze. Ook planten, dieren en mensen geven steeds weer leven door en sterven in een cyclische beweging. Hoewel er aldus duidelijk sprake is van tijd, is er geen notie van een voortdurend ergens naar toegaan, een tijd die achter ons ligt en een tijd die voor ons ligt en die maakbaar is, die een welbepaald doel heeft. Het gaat eerder om een tijd waarbij het universum steeds weer door ongeveer hetzelfde gaat en op hetzelfde weer uitkomt.

Volgens Tomas Sedlacek* zijn het de oude Hebreeërs die binnen onze cultuur voor het eerst de notie van een lineaire tijd hebben binnengebracht. Binnen hun tijdsbeeld is er een duidelijk begin van het universum en is alle streven sinds dan ook gericht op een duidelijk doel, namelijk de komst van de Messias. Dit verandert natuurlijk fundamenteel de manier waarop de mens in de wereld staat. Van een universum waar alles in principe steeds weer dezelfde cyclus kent, komt de mens nu in een universum waarin groei, ontwikkeling mogelijk is. In dit universum kan de mens iets opbouwen. De notie van groei, van ontwikkeling – zowel persoonlijk als van de maatschappij – is mogelijk.

Bij de oude Hebreeën had dit element van groei nog vooral een moreel element. Doorheen de tijden zou dit karakter van groei binnen onze Westerse cultuur echter nog andere gezichten krijgen. Met de opkomst van de economische wetenschap als nieuwe religie in onze maatschappij is groei in onze maatschappij verworden tot economische groei. Economische groei is de centrale waarde en het centrale doel geworden in onze maatschappij. Zowel maatschappelijk – bijna bij elke verkiezing is het centrale thema de vraag hoe we economische groei kunnen behouden en nog doen stijgen – als in de privésfeer, waar ieder voor zich ook tracht om ‘vooruit te komen in het leven’, waarmee dan wordt bedoeld dat we een zo hoog mogelijk inkomen willen proberen te generen om zoveel mogelijk goederen te kunnen verwerven.

Dit centrale thema van groei in de privésfeer is echter niet beperkt tot het louter materiële aspect. Ook op het persoonlijk, psychologisch vlak leeft de idee dat we voortdurend moeten streven naar persoonlijke groei, naar persoonlijke ontwikkeling. Hierbij vertrekken we dan van de idee dat we in se niet goed genoeg zijn en dat we dus voortdurend aan onszelf moeten werken om ‘goed’ of op zijn minst beter te worden. Dit alles wordt dan ook nog mede in de hand gewerkt door het bedrijfsleven. In een dienstverleningsmaatschappij, zoals de Westerse maatschappij steeds meer is, worden mensen beschouwd als de belangrijkste grondstof. Het spreekt voor zich dat de economie er belang bij heeft dat het nut van de deze grondstoffen zoveel mogelijk word gemaximaliseerd en dat er aldus voortdurend wordt gestreefd naar persoonlijke ontwikkeling. Ook op persoonlijk vlak is er dus een voortdurende drang naar groei. In vele gevallen wordt deze groei ook als absoluut noodzakelijk ervaren om te overleven, minstens toch om die materiële goederen te kunnen verwerven die men wil verwerven. ‘Stilstaan is achteruitgaan!’.

Dat deze – reële dan wel vermeende – voortdurende noodzaak aan groei, van nooit goed genoeg, een impact heeft op de mentale en fysieke gezondheid van de mens hoeft geen betoog. Steeds meer mensen worden dan ook het slachtoffer van deze druk, minstens stellen ze zich hier vragen bij. Is dit wat we willen? Lopen we in deze jacht naar groei onszelf niet voorbij? Vandaar ook de opkomst van een aantal alternatieven, waaronder bijvoorbeeld de praktijk van mindfulness, en daarmee samenhangend, meditatie, als methodes om beter om te kunnen gaan met een maatschappij die zo veel nadruk legt op groei en ontwikkeling, op steeds beter en meer. Mindfulness en meditatie zijn Boeddhistisch geïnspireerd en vertrekken dan ook vanuit een heel ander mensbeeld. Daar waar, zoals we hoger hebben gezien, de notie van persoonlijke ontwikkeling in het Westen vertrekt vanuit de premisse dat we in wezen niet goed genoeg zijn en dus voortdurend beter moeten worden, heeft het Boeddhisme als uitgangspunt dat we allemaal Boeddha’s zijn. We hebben allemaal de Boeddha-natuur, zijn in wezen allemaal verlicht. Alleen, door allerlei verkeerde denkbeelden die we ons over verschillende generaties heen eigen hebben gemaakt en door allerlei emoties – angst, kwaadheid, hebzucht, …, – waar we ons volledig door laten meeslepen, zijn we niet meer in staat om met deze Boeddhanatuur contact te maken, om deze te zien. Onze ware natuur is er finaal één van een onlosmakelijke verbondenheid en eenheid met alles wat er rondom ons bestaat; we zijn deel van en één met het gehele universum. Dit diep besef, deze fundamentele ervaring zorgt voor een diepe verbondenheid met en mededogen voor alles en iedereen.

Het komt er dus in eerste instantie op aan om terug los te komen van de oude denkbeelden en terug even stil te staan en te kijken naar wat werkelijk is. Dit is waar meditatie in eerste instantie op gericht is. Stilstaan en kijken naar wat is, zowel rondom je – de zon, de wolken, de bomen, de geluiden, de geuren, … -, als in je – je gedachten en denkbeelden, je emoties en lichamelijke gewaarwordingen, … Vandaar dat bij zen meditatie en in mindfulness er zoveel aandacht op wordt gelegd om bij de meditatie en de mindfulness-oefeningen te beginnen met aandacht te geven aan het lichaam: wat voel je, wat hoor je, wat ruik je? Ook de gedachten en emoties krijgen aandacht. Welke gedachten komen voorbij? En, je wordt ook uitgenodigd om stil te staan bij de ware aard van al deze gewaarwordingen. Zij bestaan niet op zichzelf, maar komen op vanuit een aantal oorzaken en verdwijnen ook weer als die oorzaken er niet meer zijn. Zo kan je zelf ervaren hoe alles met alles samenhangt, hoe alles één is en hoe dit alles voortdurend in beweging is. Hoe beangstigend soms, maar hoe wonderlijk tegelijk!

De eerste stap bij meditatie is dus stilstaan, het aanbrengen van een rustpunt van waaruit we kunnen gaan kijken en dat aldus de poort wordt om terug te kunnen keren naar onze ware natuur. Het aanbrengen van dit rustpunt alleen al is bijzonder waardevol in een maatschappij die alleen maar uit is op voortdurende groei. ‘Stilstaan is achteruitgaan’ wordt hier ‘stilstaan is terug thuiskomen bij je ware natuur.’ Dit is overigens geen pleidooi om vanaf nu dan maar niets meer te doen. Er moeten natuurlijk altijd dingen gedaan worden. We hebben een dak boven ons hoofd nodig en wat voedsel liefst. De uitnodiging is wel om ons niet blind te staren op de voortdurende groei, maar om regelmatig ook stil te staan en te kijken naar wat is en hieraan niet voorbij te hollen in een jacht naar ‘almaar meer’.

Mindfulness en meditatie kunnen dus in het Westen een belangrijke rol spelen als tegengif tegen de focus op voortdurende en steeds grotere groei. Maar, ook mindfulness en meditatie zelf dreigen hier in onze maatschappij besmet te geraken door het ‘groeivirus’. De bedrijfswereld ontdekt langzaam mindfulness bijvoorbeeld steeds meer, wat op zich niet natuurlijk slecht is, maar in deze context dreigt het een tool te worden om werknemers nog met meer werk- en prestatiedruk op te zadelen en om nog beter met de daarbij horende grotere stress om te leren gaan. Mindfulness kan aldus worden geperverteerd tot een zoveelste tool waarmee het nut van de grondstof ‘werknemer’ wordt gemaximaliseerd, ongeacht van wat de impact hiervan is op het welzijn van deze werknemer.

Ook los van de bedrijfswereld worden mindfulness en meditatie echter ook steeds meer gezien als ontwikkelingstools, waardoor mensen kunnen groeien. Meditatie en mindfulness dreigen aldus zelf een bron van stress te worden. De drang naar groei uit zich hier in een voortdurende vraag naar iets nieuws, iets anders, liefst een moeilijkere oefening dan voorheen. Samata-meditatie wordt vervangen door vipassana, meditaties van een kwartier worden er van één uur, twee uur. Er wordt ingeschreven op stilte-retraites van een week, een maand, drie jaar, … Waarom geen retraite als dakloze, levend op straat, zoals de Boeddha zelf? Met elk van deze technieken op zich is overigens niets mis. Dit alles wordt wel problematisch indien mensen al deze dingen consecutief doen in een voortdurende drang naar voortdurende groei, vanuit een vaste overtuiging dat zij op dit ogenblik nog niet goed genoeg zijn en dit alles moeten doen om het finaal misschien te worden.

De drang naar voortdurende groei zit veel dieper in ons denkpatroon dan we zelf vermoeden. Meditatie is in eerste instantie een uitnodiging om terug te ‘zijn’, terug te durven om niet iets te doen, maar gewoon te zijn, te verwijlen bij wat nu is. Aanwezig zijn bij, kijken naar, horen, reuken, proeven van al wat nu is. Is er iets mooiers? En zo komen we uit bij de woorden van meester Linji, die stelde dat in de Boeddhistische praktijk er finaal niets te doen en niets te bereiken is: “As I see it, there isn’t so much to do. Just be ordinary—put on your robes, eat your food, and pass the time doing nothing”**.

* Voor de noties van tijd en groei, zie Tomas Sedlacek, Economics of good and evil, chapter 2.

** Zoals geciteerd bij Thich Nhat Hanh, Nothing to do, nowhere to go, waking up to who you are, Parallax, 40.


13 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven